ELKE DAG EEN BEVINDING.

(... of toch bijna elke dag)

6 september '13
Van de leiband met diamanten en twee hondjes in galop schuift de camera naar de weerspiegeling in het raam waarin ik zie dat de jongen aan de andere kant van het gangpad een pop is die knippert. Dat hardop lachen om promo te voeren voor het boek in mijn handen was loze moeite. Wat zal het. De man voor mij loopt net te traag, in het voorbijsteken voel ik me een betweter. Maar ach, wat zal het? De wereld is een schilderij waarin ik rondhuppel als een opgetogen onnozelaar. Dat cynisme van me is geveinsd. En tuthola is gewoon een grappig woord.

25 augustus '13
CC


In de spiegel zie ik wimpers als wapperende spinnenpoten en dansende vingertoppen. Herhaling. 
Ik lach, huil³, lach. 't Is dan toch waar, wat ze zeggen. 
Maar de geur van alcoholstift ruik ik nog steeds.

24 augustus '13
Wat niet helpt:

Als hij kust, is dat met mate. De mond slechts zuinig getuit: een verzakte kringspier met meer geluid dan aanraking. Twee armen die wat onbeholpen kneden en veel druk van onderaf. 

Wat helpt:

Ze houdt van gretig. Van het woord, maar ook van grote monden met ruim zittende tanden. Van een klaterlach, vingers die worden afgelikt, luide boeren. Van verliefde mensen, van zij die niet van de ander kunnen blijven, maar ook van zij die op hun onderlip bijten, de wenkbrauwen fronsen en in werkelijkheid snakken naar een omhelzing. Later wil ze gretig worden. Voorlopig doet ze gewoon alsof. 

22 juli '13
Wat denk jij?
Ik? Niets. Jij?
Ook niets.
Maar soms.
Denk je?
Ja, soms.
Wat?
Oh. Niets.
Oh.
Of nee. Of ja.
Of?
Laat maar.
Weet je.
Nee. Wat?
Toch niet.
Ik zie.
Wat?
Oh. Niets.
Oh. Spijtig.
Ja, vind ik ook.
Tot…
… later?
Ja.
Ok.
Ja.
Dag.
Dag.

Of nee! Oh. Spijtig.

8 februari '13
Dit is nu al de derde keer dat hij, met opzet schuifelend (alsof hij zo sneller zal worden aangesproken, oh de hoop), passeert. Doet alsof iets als een radioantenne, een deurlijst in inox, de zon, hem danig interesseert. Niet dus. Tuurt, wacht, keert om, gaat. Schrikt van het beeld van de appartementen, waar zij uit een voorgaande generatie wachten op het einde. Went misschien aan een flard van de gedachte die woorden bevat als 'wat' en 'ik' en 'ooit'. Maar nu gewoon alleen, heel even nog, de eenzaamheid voorbij.

21 november '12
Elke dag opnieuw, bij het oversteken van de plek, bedenk ik hetzelfde: 'Hoe kon ze...?' En dan rijst  meteen ook die vraag: of zij hetzelfde denken, boos worden en de plek uiteindelijk mijden? Gek hoe zij, voor alles weer helder werd, mijn nachtmerries beheerste, hoe dit gepaard ging met schuldgevoel en vooral heel veel sterven. We vouwen vogels terwijl we de koekendoos ledigen en andersom. Ik schrijf een thriller waarvan ik zelf niet weet wat er nog staat te gebeuren. Dat op zich is al spannend genoeg.

13 november '12
Op audiëntie. Terwijl ik vertel schijn ik steeds dieper weg te zinken in valsheid. Bij het opstaan ben ik slechts een krom lopende versie van mezelf. Wellicht knaagde er schuld over die wanpraktijken in de bosjes even tevoren (walmen - mandarijn - kauwgum). Het is in elk geval vreemd dat al mijn dromen hetzelfde pretenderen als die van overdag. Ik eet weinig, maar vooral taart en 's avonds ligt de focus op beenspieren. Iemand snurkt, verbreekt zo de magie. Maar dat grappig vinden, maakt de hele show weer draaglijk.

12 november '12
How would you describe my daydreaming?
The urge to feed an appetite.
The need to finally come alive.
The lies.

En de rechter is plots groter dan de linker.

10 november '12
Omdat het huis in brand staat, vlucht ik naar boven - Weg! Weg! - tot in de nok van het dak waar ik de isolatie losscheur - Weg! Weg! - naar de buitenlucht. Iemand die op Koen Wauters lijkt verandert in een kleine robot en dat is meteen ook het einde. We laten elkaar daarna gewoon een beetje gerust, delen boterkoeken en af en toe een grappig woord of interessante bevinding, laten de kaas zweten en drinken thee tot er dan toch iemand opstaat om richting toilet te spurten. Er is geen handleiding of hoge lat en dat is prima zo. In de tuin zijn er verrassingen en binnen is er warmte van mensen. 's Avonds eten we de vis die de man met maar zes vingers heeft gevangen en is alles perfect.

8 november '12
Gezucht, gezeurd en vanalles spijtig gevonden. Geluisterd naar verhalen over kuikentjes die over een band rollen, prikken krijgen. Varkenspoten die worden afgesneden en koeien waarvan het vel wordt afgestroopt. Allemaal levend. En dan het koppel dat vanaf het strand hun kind ziet verdrinken.

4 november '12
Er is jazz, reuring en gin met komkommer. Gefrunnik in een halfslaap, lichte verwondingen, een zwaar hoofd, een dikke keel. Synoniemen, pompoensoep, verschrikkelijke geuren en gebroken porselein. Iemand zakt door haar stoel. De weg is weg en alleen een lampje kan ze vinden. Woorden in crescendo, ons lachen in forte. Ten slotte is er vuur met halfnaakte lijven. De toestand is hopeloos, maar niet ernstig.

27 oktober '12
Kentering


Ik hou niet zo van onweer, 
hoge verwachtingen of au bain marie.
Vroeger vond ik gaatjes vies
en nu heb ik er drie.

26 oktober '12
Mijn arm voelt vreemd aan. Ik ga slapen in de overtuiging dat het de laatste keer zal zijn. Schrijf een afscheidsrede in mijn dagboek, neem vrede met dit weinig dramatische einde. Morgen zullen er vliegjes zijn, heerst er afschuw en pril verdriet. Ik word wakker met een vrolijke hartslag, twee stijve armen en het voornemen dat ik nooit nog met te zware dingen zal sleuren.

23 oktober '12
Het geluid, gelijk aan wanneer je de slaap niet vatten kunt: je hart die via je oor tegen je haardos tikt. De schimmen van de dag nadien. De scheet van de buurman en diens zucht ter verdoezeling. De blik op oneindig om een lachstuip te voorkomen. Een vervelende slobberbroek en het risico op bouwvakkersspleet bij vreemde houdingen. De vluchtige dromen bij het liggen, het storende geluid van de gong. En elke keer opnieuw naar huis gaan met een irritant vreugdevol gevoel.

17 oktober '12
We drinken te warme karnemelk met een velletje. Mijntje heeft geen tanden, Elza mist haar man. Je ligt daar maar wat, je gezicht vertrekt zo nu en dan. De pijn en de draadjes door je neus zijn overbodig, vragen hoe het met je gaat bijna ongepast. Maar voorlopig is alles draaglijk. Zolang je maar niet sterft.

24 september '12
Misschien is het iets genetisch. Graag praten over uitwerpselen. Stank en rare geluiden grappig blijven vinden. Debatteren over geld in enveloppes, handschriften telkens opnieuw imiteren (en lachen met de mislukkingen). Op de klok kijken en elkaar met een hoofdknik in de richting van een afscheidsceremonie duwen. Niet zeggen waar het op staat maar via omwegen en een brute grimas hopen dat de boodschap begrepen wordt. Slechte eigenschappen omarmen maar er zelden iets aan doen. Gelatenheid, onmacht, intens verdriet. Wilen maar niet kunnen. En ergens, diep vanbinnen, trots zijn op elkaar. Maar dat vooral niet hardop zeggen.

22 september '12
Iets duwt me daarheen waar ik niet zijn wil. Ondanks de weerzin geef ik toe, loop er eerst wat snuffelend en in rondjes omheen maar knap uiteindelijk in twee en kijk doorheen de mist naar de glimp uit het verleden. Als ik dan vervolgens diep ademhaal en mezelf betrap op gedachteloos sluimeren, is het gevaar even snel geweken als het gekomen was. Dan heerst er rust, en kan ik weer lachen om eigen ongein.

15 september '12
We worden samen ongemerkt dronken en schrikken van de schade, achteraf. In onze dromen vermoorden we elkaar met dekens, met zaagsel in de mond. We gaan ten onder aan iets dat op liefde lijkt en vergeten te eten. Merken, aan de bedachtzame blik van anderen, dat we moeten bijbenen. Lachen om dezelfde dingen (honden in verkleedpakjes, de krul van kattenstaarten, exotische namen en menselijke gedragingen - niet die van ons) en zien dan de glinsters in elkaars ongelijke ogen. Het bed is onze gevangenis, waarin we 's nachts vrijwillig stappen. Kwijl, middenstrepen, scheve tanden, felle kleuren en ogen vol slaap. Zo ging het vroeger. Tegenwoordig zitten onze nadelen goed verborgen. Een vluchtige blik kijkt erdoorheen. Het voordeel van de twijfel is voor ons, maar gunnen doen we het onszelf niet. Moeilijk kan ook. Dat is ons motto.

8 september '12
Feesten kan niet elke dag. Ook de hofnar kent zijn grenzen. Als je 't plezier serieus neemt, maar de ander lacht met je serieux, is het beter stil te wezen tot de storm vanzelf gaat liggen. De wereld rondom draait als een mallemolen. Mensen komen, mensen gaan en jij blijft als een spil in het midden staan. Standvastig en stoer in het niet-durven. Weinigen snappen het punt, jij wel, maakt er een uitroepteken van (en wat je zelf doet, doe je meestal beter). Je past niet bij je leeftijd, wordt dronken van slechts een glas, bent gedoemd jezelf op te hijsen tegen een te gladde wand en werd in de wieg gelegd om uit te blinken in imperfectie. Mooi is het leven, denk je soms. En toch blijf je bang jezelf te verliezen in het onbekende. Je reinste broekschijterij noemen ze zoiets.

1 september '12

Dit is de dag waarop ik besloot mijn diepste geheimen en hartenpijnen op het internet te gooien. Privaat, en da's een spannende gedachte. Ik zal altijd het meisje van de dagboeken met een slotje blijven. (zucht)

29 augustus '12
Dit is geen tijd voor warme groenten. Dit is geen tijd voor jarigen. Dit is geen tijd voor perfectie. Dit is geen tijd voor diepgang. Dit is geen tijd voor het groeien van koriander. Dit is geen tijd voor vriendschap. Dit is geen tijd voor sluimerende ochtenddromen. Geen tijd om stil te staan bij vermoeidheid, mogelijke geurtjes. Noch voor de juiste woorden, de pauze en dan de aai over een arm, een wang. Geen tijd voor tranen, voor een analyse van de tatoeages van de bom testosteron die zo graag naar blonde meisjes fluit, voor medelijden of voor het wachten op die ene vraag. Voor besef, begrip of banaliteiten. Dit is een tijd die al veel te lang zwanger is van levensvreugde.

14 augustus '12
In dromenland verliest men de strijd nog voor hij goed en wel begonnen is. De meeuwen pikken de ene optie morsdood, alle vooruitzichten zijn als zand tussen de vingers, tranen en ander emotioneel gedoe zijn er onbestaande. Het lijkt allemaal verdomd simpel, in dromenland. Maar de tickets erheen zijn zeldzaam, last-minute en veel te duur.

29 juli '12
Van zodra Lucretia haar dolk door mijn middenrif steekt lijkt alles plots weer zoals vroeger: mijn fiets op de dool, mijn haar veel te droog, geen afscheid kunnen nemen, verdoken gedoe en geen gemoedsrust. Wanneer ik uit de bioscoopzaal kom, waan ik me het hoofdpersonage. Ik krijg zin om hard mee te huilen met de actrices, me op dezelfde passionele manier tegen een muur te storten. Maar van zodra ik mijn diepste wensen uitspreek wordt alles begrijpelijk. Voor de spiegel oefen ik mondbewegingen uit mijn schriftje van weleer en zie dat er heel misschien beterschap op komst is. Ik moet dringend nog eens wat stelen, al is het maar een kiwi uit de supermarkt waar ik zelden kom.

27 juli '12
Fruit is goed voor je, wordt er gefluisterd. Geldt dit dan ook voor die verboden vrucht, en voor de nectarines uit de supermarkt waar ik niet op duwen mag? De rijpheid is ver te zoeken, de wijsheid evenzeer. Ik heb ze graag zo sappig dat mijn mond het vocht niet bij kan houden, zo hapklaar dat de geur alleen al me rillingen bezorgt. Maar met fantasie valt er helaas niets te proeven.

22 juli '12
Als ik jou was zou ik me sussen, lang(er) kussen en zeggen dat het allemaal maar een slechte mop is geweest. Ik zou grif toegeven dat ik fout zat, dat het me spijt en dat het niet is uit ongemak dat ik me laat wroeten en wriemelen en opdraaien waar en wanneer ik daar zin in heb. Ik zou weten dat het niet volstaat halve waarheden in halve zinnen te gieten, over mijn nagels te wrijven alsof het krasbiljetten zijn en me te zeggen wat ik zelf zou willen horen. Verder zou ik werkelijk nadenken over mijn overdaad aan informatie en niet zomaar wat turen in de donkere nacht. Dat zou ik doen. Als ik jou was. En als ik van jou was, zou ik dit alles gewillig door de vingers zien. Met nagels die toch nooit de jackpot zullen winnen.

19 juli '12
Mijn laken staat vol balpenstrepen, de poëziezomer in Watou van jaren gelee. Ik slaap in kunst, maar rijd eerst een mug dood met een speelgoedauto en laat verdriet baantjes trekken door de nachtcrème op mijn wangen. Vandaag ging over vroeger, over woorden die slechtklevende pleisters over mijn wondjes zijn, over dode mensen die ik zou horen te kennen en over mensonterende eenzaamheid. Ik vraag me af wat ze over dit alles zou denken en of ze dan echt zo ongelukkig was. De tijd is een haai die niet maar bijten wil.

16 juli '12
Drieënvijftig. En ik voel me minstens even oud. We kijken samen naar alle kilometertellers en naar de kringetjes boven ons hoofd (jij de gewone, ik de light), praten wat in het wilde weg en ik bedenk dat jij zeker ook last hebt van de neiging op de meest onmogelijke plekken in slaap te vallen (achter het stuur, aan de telefoon, middenin een gesprek). Van feestjes walgen we beiden, al lukt het ons goed te doen alsof. Tot slot neem ik je kater over van de dag voordien. Zie het als een zeldzaam geschenk. Lang zul je leven.

14 juli '12
Soms regent het hard, soms regent het zacht. De kilte van de vloer kruipt via het gaatje mijn sok binnen. Ik zeg alles wat ik niet gepland had te zeggen (vind het boodschappenlijstje nergens terug op het aanrecht van mijn hoofd), verzamel mijn frustraties in een prop keukenpapier met blauwe vruchten. Vergeet je alweer te vertellen over die keer, toen jij de zaal al lang uit was, van het liedje dat over ons ging en dat ik toen eindelijk besefte hoe het werkelijk is gegaan. Dat ik je initialen heb misbruikt, evenals mijn hartenpijnen, maar dat ik ze je misschien zal moeten toezingen, een tikje vals en met een haperende drumcomputer als begeleiding, alvorens je ze werkelijk zult begrijpen. Een ontbrekend kabeltje verhindert beeld en klank, maar als je slikt, lijkt dat moeizaam door dat opgehoopte vocht. Ik wens je mijn angstaanjagende droom met de maskers toe, maar merk, aan het mijmeren over de kromming van je oor, dat het kwaad al bij al toch is geschied.

11 juli '12
Ik ben een schildpad. Tors het gewicht van mijn gedachten mee met het extra large - schild op  mijn perkamenten poten. De dagen gaan, net als mijn vaart, tergend traag vooruit.
Ik ben een vos. Verloor mijn streken en valse leugens ergens onderweg, maar laat mijn tanden zien indien nodig. Dat is eenvoudig: de hoeken van mijn mond trek ik via kleine hersenimpulsen omhoog tot iets wat op een lach lijken kan, met wat fantasie en misschien zelfs een neiging tot sarcasme. Als het donker is lig ik geveld op de weg, met mijn gebroken ogen, door de waas van de nest vliegen, mijn bek halfopen en mijn tong eruit confronteer ik automobilisten en hun mistlampen met mijn doodstrijd. En niemand die me wegslepen zal voor het eerste ochtendlicht. Morgen is er een nieuwe dag die op me wacht, samen met de taxidermist en diens strovoorraad.
Ik ben een zwaluwjong. Viel onlangs uit mijn nest, maar zelfs de katten willen me niet. Noem me Remi. Die van het boek.
Ik ben een meisje. Neem mij in je armen als je durft en als het echt moet forceer ik mijn traanklieren dan wel tot overmatig vochtverbruik. Je kunt me ritmisch laten dansen op commando en bij het afkruiden volg ik mijn intuïtie, als dat niet geeft. Ik zeur zelden en geef niet om complimentjes. Als je mij maar niet alleen laat, tijdens het sterven.

6 juli '12
Openluchtzwembaden. Naaktheid. Volgestouwde huizen van onbekende mensen. Woorden die stokken, blijven steken in de keel. Alcohol. Reanimatieoefeningen. Shampoo met verbeterde formule. Een steeds slapper wordende haarelastiek. De laatste gedachte voor het slapengaan. De eerste bij het wakker worden. Rode wijn. Bekentenissen. Macaroni met kaas en hesp. Heel ver, heel lang op reis gaan. Weg van de dikke borsten, het blauwe ooglijntje en die walgelijke vreemde. Ja, jij.

1 juli '12
Het is juli en de tijd glipt tussen mijn vingers door. Hetzelfde met ideeën en zelfvertrouwen. Je kunt me tegen de muur kleven met een reep plakband, of ophangen aan een haakje. Dan kijk ik wat in het rond en aanschouw de dingen, zoals zo vaak. Voor minimale verwezenlijkingen beloon ik mezelf met onmogelijke dromen en analyseer ik mezelf in alfabetische lijstjes. Het wordt een lange, lange maand.

27 juni '12
Het eindpunt wordt steeds aangeven, maar die melding komt toch altijd weer net dat ietsje te laat. Dagen met schrijfwerk, overtollige gedachten en mensen worden zo nodig nog lastiger met te weinig slaap, een loden zon, te veel drank en sigaretten. Gelukkig zijn er dan toch de gesprekken bij de schoenmaker ('Ik heb mij een jonge gepakt. Dan gaat ze langer mee.' - man over vrouw), warme appeltaart en opendeur in gelijksoortige hoofden vol chaos en onzekerheid.

23 juni '12
Ik zeg 'Ahja?' wanneer de man me vertelt dat hij bijna blind is. Hij kijkt me aan, maar ziet me niet. Minuten daarvoor had hij tegen de poster aan het raam geleund, zijn felblauwe ogen zoekend naar een aanwijzing, de deur, een sterveling. De man met het lamme armpje wroet in zijn zakken om zijn mankement te verbergen. Te laat, ik had het gezien, en hij weet het. Op de bus eten we meloen uit een plastic bakje, terwijl ik me vies voel, een clochard bijna. Mijn haar dampt en mijn broek spant en in mijn trui zitten wel vier gaatjes. Later hoor ik duiven neerstrijken op het koertje (klinkt als: het geluid van een zwiepende lasso) en komt een leeg bierflesje bedelen aan de voeten van alle passagiers. Ik draag nog steeds hetzelfde onderbroek als gisteren.

21 juni '12
Het weer is warm en donderachtig. Ik zweet me de pleuris, plak aan elkaar en focus te hard op de gedachte niet te opvallend vaak 'sorry' te zeggen, waardoor ik van de weeromstuit elke drie minuten 'sorry' zeg. We slaan normale mensen gade, praten voorzichtig en vragen elkaars toestemming om naar huis te gaan. In mijn dromen heb ik rugproblemen en leert Jeroen Meus me vis fileren.

19 juni '12
Een flap aubergine die aan 200° en km/h tegen de onderarm belandt. De verkramping van de linkerkuit. Velletjes, overal velletjes. En een buik die onheil voorspelt. Elke dag zit vol kleine strijdjes, van binnenuit tegen buitenaf. Met littekens van voorafgaande confrontaties, die zeuren om aandacht, om vooral niet vergeten te worden. Maar ik overwin, ieder etmaal opnieuw. Mij pak je niet zomaar zonder handschoenen aan. Al doe ik de oven voortaan beter open met.

17 juni '12
Verse lakens, de wind onder de dons. Het moment vlak voor het in slaap vallen, zo teer en breekbaar dat het magisch is: even te worden opgetild als op een wolkje in het hemelruim, om zacht te worden afgezet aan de halte van de allesverzengende slaap. Naderende voetstappen, de waas van een zondag. En zwijgen in alle talen. Mooie dingen komen in flarden (en soms via een presenteerblaadje) op je af.

13 juni '12
Er vliegen continu vogels tegen de ramen (we hebben er veel), wellicht van de opwinding der frustratie van een moeilijk te vangen seizoen. De nog nasputterende lichaampjes in de bloembedden herinneren me aan die keer dat ik voorbij een begrafenis van een pimpelmees liep: een in twee gescheurd geelblauw lijfje met een spoor van bloed en daarnaast twee rondhoppende rouwenden. En de koe in de naburige wei die uit sympathie een gigantische vlaai produceerde. Bloemen noch kransen, maar wanhoop en stront. Ik knabbel op de resten van een teen look: dat wordt wellicht een adem-tegen-vampieren voor drie dagen. Zelfs in mijn mond heerst verrotting en dood.

10 juni '12
Vader wordt gevierd en rookt zich te pletter. We eten toast met mayonaisebeleg, vol-au-vent met kroketten en lopen langs tapijten met rommel uit Vlaamse zolders. Ik let hard op de aftakeling van oudere generaties en op hij-die-haar-zo-heel-erg-mist.

7 juni '12
Als ik me niet houd aan beloftes tegenover mezelf. Als ik het bier te goedkoop aanreken. Als ik twijfel tussen zaken, en speel met de gedachte de luie middenweg te nemen. Als ik mezelf elke avond ademloos spiegel in het raam en tevreden wegkijk van het gecorrigeerde beeld. Als ik verloren loop of rijd en anderen nodig heb om me bij te sturen. Als ik de roes van de honger doorprik door niet lang genoeg op eten te kauwen. Als ik enthousiasme veins, belangrijke dagen vergeet of me stilletjes afvraag wat ik doe op een bepaalde plaats. Als ik de tijd in de gaten houd en heel lang, heel onopvallend procrastineer. Als ik mezelf overgeef aan pure lusteloosheid en het me even niet meer kan schelen of ik al dan niet ineenstort. Als ik bijna dolenthousiast praat over dode mensen omdat ik vind dat ik daar het recht toe heb. Als ik luidkeels statements maak, maar ondertussen de oogbollen uit mijn kassen huil met het tegenargument. Op zulke momenten voel ik me een verrader. Een van het allersmerigste soort.

30 mei '12
'En nog vele jaren!' Ik kneep haar, bezwerend aankijkend, bijna tot moes, alsof ik haar dwingend wilde hypnotiseren nog lang in leven te blijven. Het ergste was: ze had me niet gehoord, te veel rumoer rondom ons. De laatste tijd tref ik haar ogen ook al zo vaak vochtig aan, stil en peinzend-beschouwend. Alsof ze stiekem al afscheid aan het nemen is. Soms betrap ik mezelf op dingetjes die ik in het notaboekje van mijn hoofd opschrijf. Uitspraken, gedragingen, grappige gebeurtenissen die ik moet onthouden, voor de afscheidsbrief, als het dan eindelijk zover is. Maar dan schrik ik telkens weer schuldig op uit die confronterende gedachte en tik ik mezelf op de vingers. Want het zal verdorie pijn doen, en wel voor heel erg lang.

27 mei '12
Een dag vol geuren. Die van middelbare schooltijd in de gang, van verloren mensenlevens en vervlogen memoires, van de zee, van vrijheid, vriendschap en puur gelukzalig contentement. De geur van zomer, waarin ik me wentel, als in een bad na me lang niet meer te hebben gewassen. En de geur van zweet, die achteraf gewoon maar de overrijpe kaas op mijn boterham blijkt te zijn.

25 mei '12
Intens verdriet is zo besmettelijk, dat ik na een gefingeerde droom over een moeder die haar eigen kind doodrijdt, murw en huilerig wakker word. De mooie, warme lentedag verzacht de wonde slechts oppervlakkig, de kern zit onder mijn vel.


22 mei '12
Meen ik een leugenaar te hebben ontmaskerd (mijn ongelovige blik op scherp, een misschien te ver gaande verwensing paraat), blijk ik de voorbarige bitch en weet de plots ongemakkelijk geworden situatie slechts met een flauwe mop te redden. Bekomen doe ik op het toilet, voor de derde keer die met de vastgekleefde neuskeutel naast de deur, waar ik terugdenk aan de droom met de katten en de versleten matrassen en de overdonderende schaamte. Mijn haar schreeuwt al vier dagen om gewassen te worden, en ik nog veel langer om een leesbaar antwoord in je blik. 'Shampoo en valse hoop', zegt tante Kaat.

18 mei '12
Niets ging volgens plan, maar met verrassende wendingen is niks mis. Mijn instinct bracht me daar waar ik vergeten was te willen zijn, al koos ik er de verkeerde dingen en liet de juiste staan. Achteraf herinnerde het netvlies me jennend aan het beslissende moment van falen. De avond voordien was lang en confronterend geweest (met als apotheose een vlucht in de kilte van de nacht, in de pathetiek van popballades), plakte aan de holtes van mijn kortermijngeheugen. Oefenen dan maar, voor de herkansing van een nieuwe dag.

16 mei '12
In mijn hoofd was ze nog steeds degene met het parelgrijze statige kapsel, kunstig samengebald in een wrong, die met de scherpe blik en de trotse houding, die met de waas van verdriet (of toch een vage herinnering daaraan) over een te vroeg verloren liefde als een voile over haar bestaan, die met het enige kind en de haakwerkjes en de hometrainer en de uitklapbare speelgoedkast en het door gietijzer belemmerde zicht op oude bomen. In haar hoofd woei een permanente mist, en was er niks, niks, niks dat nog hoopte op vroeger of beterschap. Beter zo, beter nu (maar stiekem ook altijd beter nooit dan laat).

10 mei '12
De lucht weegt zwaar, de zon is ver te zoeken. De wind zit mee, mijn roestige ketting werkt een beetje tegen. Binnen verdraag ik plots geen stof meer aan mijn lijf, zweet doet alles aan elkaar plakken. Verwoed trek ik alles uit tot op de laatste sok, ga liggen op de koude plankenvloer in de lege kamer en wacht. Tot rust mijn knokige ledematen neerdrukt, tot alle poriën zich zuchtend sluiten en de bui overwaait. Buiten wenken de bomen me zonder enige subtiliteit, hun gulzige bewegingen doen me weinig. Ik strek, rek me uit en denk aan even helemaal niets.

6 mei '12
De kalveren van hier rechtover gedragen zich als kinderen wanneer het waait. Ik was nog voor sluitingstijd in de buurtwinkel, kocht er gepaneerde visfilets met spinazie - bij gebrek aan beter. Zag mijn vader aan de kassa, hoopte dat hij niet zou huilen in de auto, achteraf. Ik kijk afwisselend naar stukjes zwartwit-film en naar foto's van meisjes met middenstrepen en een geforceerd-lege blik in hun ogen, maak een weekplanning en hou van de gedachte dat het zondag is vandaag.

30 april '12
Hoe zou dat zijn: te leven in een huis dat nagenoeg opgaat in de fabriek van de buren, dat uitkijkt op de fabriek van de overburen, waar enkel opleggers en grote vrachten het straatbeeld verstoren en met een voetpad dat amper wordt gebruikt? Geen ontbijt, lunch of diner, maar schafttijd, geen sleutel maar een badge om de deur te openen, prikken voor en na elke huishoudelijke handeling. Maar dat het gazon er piekfijn bijligt, dat is dan weer een grote troost.

19 april '12
Het hagelde, of beter nog: het knikkerde bolleketten. Met twee stengels prei onder de arm verliet ik zonder nadenken de winkel, nam mijn fiets en vertrok. Terwijl andere klanten zich naar hun auto repten om te schuilen of gewoon zuchtend bleven wachten in de hal, gedwongen om tegen elkaar te beginnen over (du-uh) het weer. Het is een beetje zoals een enge film, die je toch tussen je vingers door bekijkt. Of een ongeluk, met veel bloed en dooien, zo eentje waarvoor alle auto's vertragen. Een feest waarvan je weet dat het oersaai zal zijn, maar waar je toch geen moeite voor doet excuses te verzinnen, en gewoon (onder)gaat. Zo ook met hagel, of beter nog: bolleketten. Als je niet kijkt, niet voelt en niet beleeft, hoe kun je achteraf dan met de juiste argumenten zeuren over hoe eng, hoe erg, hoe saai of hoe pijnlijk het allemaal wel niet was? (Het waren trouwens hele grote. En ze deden verdomd veel zeer.)

14 april '12
We hadden de hele avond tussen een oudere generatie gezeten, te midden van hun bedwelmende melancholie en een enthousiasme dat pijn deed als je er te lang naar keek. Ik vroeg me in stilte af of ik moest lachen of fronsen, deed het afwisselend, keek je af en toe respectievelijk grijnzend of bezorgd aan. Jij vroeg je achteraf (hardop en bijna-angstig) af of we later ook zo zouden worden: complexloos en slechts matig zelfbewust, zo met alle remmen los. Ik probeerde je uit te leggen dat het voor ons misschien even bevrijdend zou zijn, later, maar dan gereserveerder en vooral: met andere muziek. Al kon je er nog niet al te veel bij voorstellen, je scheen gerustgesteld. En neuriede een liedje dat je voordien nooit had gehoord.

8 april '12
Toen ik klein was en nog middagdutjes deed, stond Pasen gelijk aan kuiltjes graven op de berg in de tuin, die volsteken met stro (zachte landing) en milde schenkingen (tekeningen, wenslijstjes en mijn laatste fopspeen) en dan vooral niet middagdutten. Elk geluid dat een beetje op de landing van een paasklok of -haas lijken kon, lag ik met luide hartenklop te analyseren vanop mijn overbelichte kamer, te wachten tot mama me met perfect geveinsd enthousiasme uit mijn perfect geveinsde slaapje wekken kwam. Nog steeds flitst het geluid van een ploegende tractor me terug naar de kindertijd. Nog steeds kan ik niet goed slapen in te hel verlichte ruimtes. Nu is Pasen vooral een zelfgeschreven scenario: met een knoert van een kater balanceren op de rand van vraatzucht en zelfverstopte eitjes terugvinden in pyjama. Maar daarom niet minder magisch.

2 april '12
Als ik mijn duim (die met de snee) hard tegen mijn boek aandruk, klopt mijn hart daar in drie kleuren: een hartslag lichtroze, eentje donkerrood en eentje bijna purper. Fascinerend, maar ook een beetje eng. Gelukkig stopt dat van zodra ik de druk verlicht. Als mijn ogen beginnen prikken duw ik hard tegen mijn slapen om vochtproblemen te vermijden. Als het recent geschoten gat in mijn oor jeukt, weet ik dat het tijd is voor een reiniging. Alles wat mijn lichaam me vertelt, heeft een oorzaak en een voor de hand liggende oplossing. Maar als ik sinaasappels pers, ecologische limonade drink, spikkelbrood zie liggen bij de bakker (en nog veel meer van dat soort pietluttigheden), weet ik met mezelf geen blijf en nog minder wat eraan te doen. Dan jeukt, prikt en bonkt het op alle mogelijke plaatsen, kom ik handen en hulpmiddeltjes tekort. Weet dus, dat het hier lang niet zo vlekkeloos verloopt als ik laat uitschijnen. Al maak je je daar wellicht al lang geen zorgen meer over. Ik wou het gewoon maar even laten weten.

23 maart '12
Wat begint met gesputter, een kleine kneuzing aan de stembanden en hoogstens wat snifjes, eindigt meestal met het gevoel in een luchtbel te zitten, twee eindeloze neusrivieren, mensen die je aan de telefoon met 'Meneer' aanspreken en vlokken slijm als geheim ingrediënt in de appeltaart. Verkouden zijn is net niet ziek genoeg, noch aanstellerig. Het is mossel noch vis. Al voel je je beide: een tweekleppig weekdier dat naar lucht hapt boven water. Dat al het snot in de wereld verfoeit omdat het haar aangebrand rakende baksel niet tijdig ruiken laat.

22 maart '12
We zaten rond de tafel. De vijf rimpelkwekers en ik. Zij: verfrommeld in alle hoeken en plooien, voldaan, af en toe grimassend door alweer een opstekend kwaaltje. Ik: verfrommeld door vermoeidheid, afwachtend, soms wegduikend in mijn zakdoek. Ze hadden het over vroeger, toen iedereen nog naar de kerk ging: in alle vroegte te moeten fietsen naar de kilte van de marmeren kniebanken, naar de ellenlange psalmen en holle spreuken, naar de priemende blik van de pastoor, naar al wat tijdverlies en carrièreversperrend was. Ze lachten vaak, wreven zich zo nu en dan zichtbaar genietend in de perkamenten handen, in die roes van een verloren jeugd. Toen ik plots vroeg of het vroeger dan werkelijk allemaal beter was, werd het stil. Allen dachten fronsend na, loensten naar elkaar en naar het gehaakte tafellaken, knikten vervolgens instemmend toen een van hen het woord uiteindelijk nam: 'Ge kunt dat toch allemaal niet vergelijken. Vroeger speelden we met een bal en een stok, nu is dat al niet goed genoeg meer. De tijd gaat zo rap vooruit. Nu is er zoveel dat kan. Maar we waren toen veel contenter. Angstiger ook, al was er niet zoveel om bang van te zijn als nu.  Maar als we blij waren, waren we blij. Tegenwoordig kunt ge al niet eens meer goed lachen. Of 't moet al rap gaan, want het werk wacht. En de stress. Al die stress. Dat hadden wij niet. Verstaat ge?' Dat deed ik, zuchtte diep en verlangde met ze mee, naar een tijd die ik nooit heb gekend.

18 maart '12
Ik weet dat ik soms kan overdrijven. Maar hoe ik, op een dag als deze, waarop het leven zou moeten gefêteerd en bejubeld worden, me zo kan wentelen in de dood, gaat er misschien een beetje over. Desondanks wentel ik me met veel plezier. In de tuin der doden. Niet, zoals de rouwstoet aan toeristen, op zoek naar bekende exemplaren, maar in het wildeweg wat ronddartelend, met mijn zak vol lingerie, mijn volle blaas (en de graftombes die lijken op wc-hokjes (zonder de hartjes)) en mijn ongebreidelde fantasie over dooie mensen die ik niet ken. In de balzaal van skeletten. Dieren met een - voor de wetenschap en voor mij - zinvolle dood. Die achter stalen kabeltjes staan, niet beschermd tegen grijpgrage kleuters. Ik herken de mengeling van angst en bewondering op hun gezichtjes bij het zien van de baleinen, de slagtanden, de foetussen van 'des bébés vrais'. Zo was ik ook, toen cadeautjes en slingers en taart met slagroom nog belang hadden. En niets maakt me blijer te zijn zoals ik ben, waar ik ben. Op een vrolijke dag als deze.

11 maart '12
Niet alles hoeft gezegd. Uit de stilte die tussen twee mensen sluimert valt vaak meer op te maken dan uit woorden. Het vergt wat inspanning: enkel die blikken, die lichaamstaal, dat verwachtingspatroon. Maar met de juiste persoon in de nabijheid is het goed om weten dat je ook geweldig goed kunt zwijgen tegen elkaar, zonder dat die stilte als pijnlijk wordt ervaren. Omdat je beseft dat een formulering te veel moeite kost, verkeerd wordt geïnterpreteerd, herhaald moet worden, in de lucht blijft hangen. Omdat sommige woorden te kostbaar zijn om los te laten. Omdat de stap tussen gedachte en uitspraak te groot blijkt. Een stilte is nu eens zo gepast, dan weer gewenst. Bedankt dus, voor de stilte vandaag. Het was weer heerlijk zwijgen.

9 maart '12
Een en een is twee. Twee min een is een nul met een hoopje verdriet na de komma. Of net omgekeerd. 't Is maar hoe je het bekijkt. Als je gelooft dat het goed met je gaat, dan is alles mogelijk. Maakbaar ook. Toen ik uit het raam de overdonderend grote wassen maan zag, vond ik de kust veilig genoeg voor een potje zelfmedelijden. Goed op dreef en overtuigd van eigen kunnen voelde ik me betrapt, toen je mijn scène binnenstapte en vroeg wat er scheelde. Niet alles is verklaarbaar, maar dat besef je misschien nog niet. Om het je wat comfortabel te maken gaf ik een draai aan het scenario en sleurde er vergezochte argumenten bij. Want een en een is twee, en als de maan de zon placht te zijn, kunnen haar stralen wel eens nijdig branden. Maar dat leer je ooit wel eens een keertje.

4 maart '12
Dan heb je eens een goede dag, een waarop alles fysiek meezit (haar dat glanst, gezicht niet, buik blijft zelfs op onbewaakte momenten netjes ingetrokken), moet je de hele dag binnen blijven en zelfs de bereiding van de kaastaart uit handen geven. Dit in de hoop dat je morgen nog zo'n dag wordt gegund. Ijdel, wellicht. Die kaastaart zal toch weer alles verpesten.

1 maart '12
Alles ruikt naar bloemen vandaag. De lente is in aantocht. Eigenlijk is het een vreemd fenomeen: dat mensen de natuur molesteren om haar, vaak tegen betaling en voor slechts een beperkte periode, in huis te hebben. Ook bij ons geurt en kleurt het op de vensterbanken, terwijl het in de tuin maar niet wil lukken. Maar misschien is dat een opstandige kreet van de natuur. 'Algemene staking wegens verwaarlozing.'

26 februari '12
Iedereen heeft zijn of haar gebreken. Gek is dat die in opvallendheid toenemen naargelang de leeftijd dat doet. Alsof iemand het vroeg of laat opgeeft compromissen te sluiten, het masker gaat er definitief af. Maar sommige lieden maken het wel heel erg bont. Houden geen rekening meer met de ander, gaan voluit voor eigen winkel, kijken niet achterom (enkel vooruit en dan nog het liefst in de spiegel). Hij was daar een voorbeeld van. Ruftend gaat hij door het leven, schuimbekkend bijna, geen twee keer nadenkend of iets al dan niet ongepast overkomt. Hij had van commentaar geven op wildvreemde passanten bijna zijn job kunnen maken, en voor de dingen die hij vertelde had je wel minstens vijf zakken zout nodig. Dat ratelde maar, bulderde, was ongevraagd handtastelijk, vrouwonvriendelijk en op de koop toe nog racistisch ook. Maar dat hij niet kon zwijgen over mijn gescheurde broek, die mijn rechterbil blootgaf, dat deed de deur dicht. Ik durfde de hele dag niet van mijn opvouwbare stoeltje komen, en wenste urenlang stilletjes, terwijl ik mijn blaas de beginselen van gymnastiek aanleerde, dat zijn weelderige pens zou openbarsten over al zijn waren (zijn vrouw incluis). Maar misschien is dat wel mijn persoonlijke gebrek. De slechte gewoonte om broeken te dragen tot ze op de draad versleten zijn.

23 februari '12
Ze deden allemaal maar wat alsof. De zwanen in de wei imiteerden grazende koeien. De in motorpak uitgeruste onnozelaar, in realiteit veredeld scooteraar (en geweldig baanvakversperrend). De zon dacht dat het al lente was en priemde in mijn ogen, irritant hard voor de tijd van het jaar. De radiopresentator voelde zich de leukste thuis. En ik, ik zong luidkeels mee met gemakkelijke hits, de handen op twintig over vier. In een echte auto, op een echte weg, in een oprecht vrolijke bui.

20 februari '12
Dan denk je je schaapjes op het droge te hebben, blijkt er toch nog eentje mekkerend in de poel der onzekerheid te zwemmen. Niets is wat het lijkt als je vertrouwt op je ratio. Soms wou ik dat mijn emoties in een doosje zaten, gemakkelijk mee te nemen, maar even vlot thuis te laten wegens even geen zin. Met schakeltjes, aan- en uit-knoppen, gradaties in intensiteit. Want als je je niet weet te gedragen, of daarover nog in de denkmodus zit, hoe zeg je dat dan? Als mijn hoofd een bedrijf van de overheid was geweest, had ik dat taakje kunnen overlaten aan een collega. Of via een automatisch 'out of office' - bericht: voor onbepaalde duur onbereikbaar, laat uw boodschap na de biep. Had ik 's nachts tenminste goed kunnen slapen.

17 februari '12
Het is niet voor mij weggelegd, hoe graag ik het ook wil. Noch pleisters, noch dikke lagen zalf, noch karakter weerhouden me van het krabben aan mijn wondjes. Ik weet nochtans hoe lelijk en hoe traag ze genezen, voorbeelden zijn er bij hopen. En als ik er dan toch weet af te blijven, is er wel altijd een object zo gretig een handje te helpen. Een onschuldige botsing met de badkamerkast en het kakelverse korstje van mijn wijsvinger ligt een tel later triomfantelijk opgekruld naast de pot wondencrème. Dat, of een nieuwe snee: alweer een litteken in wording. Al een geluk dat ik geen neigingen vertoon te friemelen aan de wonde op mijn hart. Die geneest wonderwel en verrassend vlot.

15 februari '12
Volgens mij was ze blind voor eigen blindheid. Ze strompelde voorovergebogen (alsof ze de grond afspeurde naar geld), maar toen ik haar mijn arm aanbood ter ondersteuning, sloeg ze die nogal letterlijk af. Ik liet haar maar begaan, ging te zeer op in de buitenaardse ervaring van mijn self-fulfilling prophecy als een uffra met een pitslichteke, hoewel ze ondertussen al heel wat rijen verder was gegaan dan degene die ik haar had aangewezen. Ik kreeg zin om 'Koud, heel koud!' te roepen, maar het was natuurlijk geen spelletje. Een grapje evenmin. Al hadden haar diadeem met tijgerprint en de handvol haren die ze bijeen hielden wel iets aandoenlijks. Toen ze eindelijk gezeten was, en ik met mijn flauw oplichtende zaklampje de donkere zaal vol gefluister verliet, voelde ik me opeens alsof ik heel eventjes had gevlogen.

12 februari '12
Als ik boos ben, gaat er vanalles mis. Of net omgekeerd. Dan mag ik bijvoorbeeld nooit ofte nimmer de tondeuse ter hand nemen en die al foeterend in werking zetten. Zonder te controleren of het veiligheidskopje er al dan niet op zit. Spijt komt enkel na het mislukte kapsel. En dan mag jij gaan uitleggen aan de echte kapper dat zuslief een beetje cranky was, en dat keihard op je snit heeft uitgewerkt. Ik beloof volgende keer mijn vrolijke modus in te schakelen, of op zijn minst te wachten tot de bui over is. Tegen dan is zowel je haar als je sympathie voor mij weer aangegroeid. Of dat is toch waar ik op hoop.

8 februari '12
Mocht er een hel bestaan, dan ruikt de mijne naar de mond van oude vrouwen, klinkt er de hele dag muziek van Tina Turner, moet ik op sleehakken wiebelen, zie en voel ik mijn handen gradueel veranderen in klauwen, gebruikt iedereen te pas en te onpas het adjectief 'straf' (en gilt er per halfuur iemand 'straffe madam'), hang ik daarna boven de pot maar komt er niks, moet ik mij voor alles verantwoorden, smaakt het plaatselijke water naar een mengeling van koffie en gestoofd witlof, cirkelen er meeuwen en duiven boven mij, heb ik constant het gevoel al vallend rond te lopen en staat er op mijn hoofd een baal stro dat niet in model te krijgen is. En in de hemel is er niks van dat alles. Eigenlijk ben ik toch best een gemakkelijk mens. Gemakkelijk in de omgang, en al helemaal niet veeleisend.

4 februari '12

Voor


Na

Die avond in de tuin... 








30 januari '12
De een had duidelijk kaas gegeten van robbertjes vechten. De ander viel volledig uit de lucht, kende geen verweer en kon niets anders dan zich gewillig te laten toetakelen. Ze kreeg op dat moment wellicht diep berouw om haar opmerking, die de aanleiding was van molenwiekende armen, schreeuwende verwijten, gesleur aan haren, de wind van voren, en als pièce de resistance een welgemikte hak in haar gezicht. Terwijl de mensen rondom mij te koop liepen met hun ongenoegen en afkeurende blikken, kon ik alleen maar grijnzen, tevreden over het spektakel, blij dat er zich eindelijk iemand zo vrij voelde al doende te zeggen waar het op staat. Want een goede rammeling op tijd en stond, kan al eens deugd doen. Dacht ik zo, vanop mijn veilige plekje achter het raam.

28 januari '12
Het ene stammetje rook vaag naar rottende bosgrond, uit de schors van het andere ontsproot een paarsrozige zwam, in de vorm van vrouwelijke geslachtsdelen. Andere stukken hout leken stevig bemost en bescheten. Nog anderen blonken uit in perfectie, hun gladheid maande aan tot pauzeren, strelen, voelen. Maar het overgrote deel van de tijd was de kennismaking fragmentarisch, in stukken en in brokken, net zoals de vorm van de gekliefde populieren. We werkten naarstig en gezwind, met rode konen en slecht doorbloede vingers, hier en daar een ontluikende schram, een bouwvakkersspleet, aarde en mos op onze kleren, in onze haren. En er was die hoop, die steeds groter werd, gestructureerd vooral, en uitermate constructief. Vanop een afstandje knikten we goedkeurend, dachten we allen aan de gretige vlammetjes die een jaar later uit de basten zouden schieten, aan de warmte die de erfenis van wat ooit statige bomen waren zou brengen. En het werd prompt warm in onze harten en vingers. Maar dat kon ook aan de centrale verwarming gelegen hebben.

26 januari '12
Of het echt bestaat, weet ik niet. Maar alles is de laatste tijd opmerkelijk toevallig. Ook jij, die steevast woorden weet te vinden die klaarheid scheppen in de duisternis, had een aandeel in het onvoorziene. Je formuleringen waren nog niet koud, of daar was het alweer. Het beest van de verrassing, de boodschapper van inzicht en duidelijkheid. Ik moet er altijd weer aan wennen, bewust misschien, bang om het ooit weer te zullen moeten missen. Zolang het duurt, blijf ik attent, gulzig en dankbaar. Voor de onverwachtse capriolen van Het Lot.

24 januari '12
Gisteren deed de kalkoen met salie mij denken aan kookboeken met vale kleurplaten uit de jaren zeventig. Vandaag was het een bakje prut, dat refereerde aan troosteloze wegrestaurants, onvriendelijke bediening incluis. Maar dat kon ook aan de combinatie met de slecht verteerbare film op televisie en het teveel aan alcohol gelegen hebben. Het leven van smaakpapillen moet behoorlijk lastig zijn, als voedselassociaties roet in het eten gooien.

23 januari '12
Ik heb soms van die akelige dagen
Dat alles me te groot wordt en te veel
En wat ik aangehaald heb, kan ik slecht verdragen
En alles wat ik nog moet doen, dat grijpt me naar de keel
Ik word al zenuwachtig wakker
Dat wordt alleen maar erger door dat driftige gejakker
En een koffer vol verantwoordelijkheid waaraan ik me vertil
En honderdduizend dingen die ik eigenlijk niet wil
En ik moet nog zo veel doen, ik moet nog zo veel doen


Ik zat in bad, en dat was alles wat ik op dat moment horen moest. Een lied uit 1977. Nooit eerder gelet op die eerste strofe. Enkel en alleen op het vrolijke refrein. Soms voel ik mij een oud besje, een van wel minstens vierentachtig.

19 januari '12
We waren dieren van de nacht, al was dat bij beiden allesbehalve de bedoeling. Ik die beneden zat te schrijven, terwijl jij boven de slaap trachtte te vatten voor de wekker een diepe snee maakte in je hoofd en in je lichaam. Dezelfde snee die in mij stond gekerfd, want slapen kon ik al lang niet meer. Toch niet op een behoorlijk niveau. Toen ik mezelf overgaf aan wat mijn lichaam me met een geeuw probeerde te vertellen, hoorde ik je wakker worden. Duidelijk met tegenzin: ik hoorde aan je haastigheid dat je bed weer eens veel te warm was geweest. Ik dacht nog eventjes op te staan, gewoon, om je symbolisch kracht te geven, je te tonen dat je niet alleen was. Maar die gedachte verdween even snel als ze gekomen was, want toen kwam daar die allesoverheersende, zalige slaap die ik al zolang had gemist.

14 januari '12
De tuin was koud en donker, maar dat deerde me niet. Ik waadde op mijn pantoffels door de verdorde boombladeren op het paadje, het puntje van mijn sigaret leidde me de weg. Het lege kippenhok achterin deed me denken aan troosteloze kerkhoven, aan dingen die er ooit waren geweest, maar nu niet meer. Het tuinhuis zag er angstaanjagender uit dan overdag, met het hout van de muren als afschrikwekkende bodyguards. 'Ga niet naar binnen', leken ze te zeggen. Dat deed ik dan ook maar niet. Toen ik terugschuifelde, met het vocht stilaan in mijn sokken sijpelend, en het peukje van mijn primitieve zaklamp dat ik in een zelfgemaakt kuiltje op het gazon deed verdwijnen, nam ik afscheid van vroeger. Voor heel even. Want morgen stond ik er wellicht weer, met soortgelijke, maar toch andere gedachten. In diezelfde donkere tuin.

7 januari '12

 









Dramatiek op nieuwjaar bij  de grootouders. "Een deugdzaam leven is gevolgd van eene zalige dood.* Bid voor de ziel van mijnheer Gaston De Smidt. (1890 - 1929)". Jong gestorven, zwak en ongelukkig van geest, maar godzijdank o zo godsvruchtig.
Dagen van droefheid en nachten van smerten heb ik geteld. Voor mij had het leven noch wonne [1] noch zoetheid; een winter was het zonder aanbrekende lente zoodat mijne ziel wel mocht uitroepen: Wanneer o Heer verlost Gij mij van dit lichaam des doods? Vol geloof gesterkt door de langdurige oefeningen der godsvrucht vooral tot de H. Maagd Maria vreesde hij den dood niet. Hij dankte den Heer voor de beproeving, verdubbelde zijne gebeden en bereidde zich dagelijks door eene altijd grootere nauwgezetheid van geweten. Teergeliefde Moeder, Broeder en Zusters, de dood breekt wel den draad mijns levens, maar niet de banden uwer genegenheid, ik dank U voor uwe liefde die gij mij in mijn leven hebt bewezen en de goede zorgen waarmede gij mij allen hebt bijgestaan binst mijne ziekte. O mijn God wees de sterkte, de steun en de belooning voor moeder en gij, liefste broeder en Zusters blijft altijd hare vertroosting, bidt voor mij en ik zal voor u bidden. Zoet Hert van Maria wees mijn heil. 300 dag. afl. [2]
[1] wonne: genot, vreugdevolle aandoening
[2] 300 dagen minder lang in het vagevuur

5 januari '12
Verdriet
Je hart breekt in stukken uit elkaar./ Je voelt je heel erg naar./ Je ogen zijn rood van het huilen, je mag bij niemand schuilen. / 't Is net of geen mens je nog graag ziet, je bent een grote klomp verdriet...
Mijn droom
Ik hoop ooit de mensen die we hebben moeten missen terug te zien. Liefst in de realiteit, of, als het echt moet, in een van mijn dromen. Soms... als ik naar de wolken kijk, zie ik de persoon die ik mis, die ons verlaten heeft. Dan word ik droevig en kwaad tegelijk. Droevig, omdat we die ene hebben moeten missen, en kwaad, omdat de manier waarop de persoon ons verlaten heeft, echt afgrijselijk en ondenkbaar is. Dit is mijn droom.
Dagboekfragmenten die ik tijdens de grote schoonmaak tussen de kilo's stof ontdekte. Ik was respectievelijk elf en twaalf jaar. Blijkbaar was ik dan toch niet dat onbezorgde meisje dat ik altijd gemeend heb te zijn. Zo zie je maar, hoe herinneringen vaak verstenen, vervagen, en de vorm aannemen waarin je ze kneedt.

15 december '11
Na minder dan twintig minuten ontplofte een nooit eerder gehoorde complimentenbom. Ik was niet alleen vlot in de omgang, fris, energiek, empatisch, ijverig, professioneel en flexibel, maar tegelijk ook leergierig, oplossingsgericht, zelfstandig, allesbehalve opdringerig of autoritair, sociaal en goedlachs. Nooit eerder had ik me zo zelfbewust en goed gevoeld als na dit onderhoud. En het was nochtans de eerste keer dat we elkaar zagen. De gekke gedachte dat dit misschien het begin was van een mooie vriendschap deed me in stilte gniffelen, zeker toen ze na ons afscheid weer achter haar computer kroop en het nummer van een volgend slachtoffer intikte. Ik vroeg me af of mevrouw Feelgood voor zichzelf ook zo gul met complimentjes strooide. Nadat ik de autobestuurder allesbehalve opdringerig deed stoppen voor het zebrapad, waarna ik met mijn goedlachse, frisse verschijning flexibel en professioneel de streepjes overschreed, hoopte ik het alleszins van ganser harte.

12 december '11
"Mijn baasje denkt aan mijn pootjes." -
Anvers



9 december '11
Er stond een bed, met daarin een hoopje verfrommelde lakens. Ik dacht dat ik het niet goed had gezien, dus keerde ik op mijn laatste drie stappen terug, en zag mijn eerste indruk bevestigd. Boven het hoopje stak een toef zwart haar. Geschrokken zette ik mijn weg verder, mezelf afvragend of dat nu werkelijk een dood iemand was, zomaar in de gang, wachtend aan de lift richting mortuarium, ofzo. Een halfuur later passeerde ik het hetzelfde gat in de gang, mijn hoofd draaide automatisch in de nu tegenovergestelde richting. De kop zwart haar had blijkbaar een gezicht gekregen, dat boven het beddengoed uitstak en mij met heldere ogen aankeek. Alsof het wilde zeggen: 'Wees gerust hoor, raar kind, ik leef nog.' Ik lachte de vrouw opgelucht toe met zo'n typisch bemoedigende glimlach, terwijl ik mezelf op de gedachte betrapte dat ze misschien wel heel erg ziek was, haar victorie te voorbarig was, het mortuarium akelig dichtbij. Maar dat zal ik natuurlijk nooit weten. En misschien maar goed ook.

26 november '11
Terwijl ik de wasmachine voor de derde keer die dag deed draaien, dacht ik aan mezelf en aan hoe ik zou worden herinnerd, als ik er niet meer ben. Ik ben niet memorabel in mijn daden, niet vrijgevochten, noch een moraalridder van de goede zaak. Een heldenstatus wordt dus moeilijk. Gedachten (goede, slechte, middelmatige) hou ik doorgaans voor mezelf, en overal waar ik ga laat ik slechts een onopvallend spoor van vernieling na (uitgevallen haren, snippers papier, een zweem Yves Saint Laurent, in het slechtste geval een flard opgedroogd zweet). Ik laat bij het eerste contact geen onuitwisbare indruk na, noch in de keren erna. Tenzij ik meer dan drie goede moppen weet te verzinnen, maar die momenten worden schaars. Oh, wat hoop ik op geen leven na de dood.

25 november '11
Het was kindertelevisie, maar het meisje op het scherm was in haar hoofd vele jaren ouder dan haar lichaam deed vermoeden. Ze keek recht in de camera en zei: 'Mijn vader heeft drie jaar geleden zelfdoding gedaan. Hij heeft zich opgehangen.' Mijn hart brak in tienduizend stukjes. 'Ik weet dat ik mezelf de schuld niet mag geven. Het was zijn eigen keuze, en ik heb daar niets over te beslissen', terwijl een traan over haar wang rolde. Het kindje in de kamer werd er ook even stil van. 'Is dat meisje helemaal alleen?', vroeg ze, bedrukt. Ik legde alles kort uit. 'En vond ze haar papa dan leuker dan haar mama?'. Daar was moeilijker een antwoord op te verzinnen. 'Misschien', zei ik. 'Maar eigenlijk huilt ze gewoon omdat ze haar papa zo hard mist.' 'Ik ben ook eens in een kerk geweest met heel veel mensen', zei ze. 'Iedereen was aan het wenen, en toen is mijn opa in de kerk gestorven.' 'Je bedoelt dat je hem dan hebt begraven, op het kerkhof?' 'Ja, begraven', zei ze. Ze keek een paar tellen bedachtzaam voor zich uit, en ging toen verder restaurantje spelen. 'Jij was de klant, en ik de kok. Maar eerst moet ik kaka doen. En ik ga je roepen als ik klaar ben. Goed?' En dat was dat.

23 november '11
(Baudelaire)
21 november '11
We stonden urenlang te zwijgen tegen elkaar. De machines praatten in onze plaats, dus dat wij het ook nog eens deden was niet nodig. We spraken bovendien niet eens dezelfde taal, al kon ik door het geraas niet goed opmaken welke variant je hanteerde. Toch wist ik dat we ergens een band hadden. Ik zag het aan onze daadkrachtige handelingen, onze bijna perverse drang naar perfectie tijdens het schikken van de boekjes. We keken elkaar niet aan (ik jou wel, jij mij angstvallig niet), maar onze handen voerden een vlotte, schaamteloze conversatie. De jouwe die de mijne verbeterden in het straktrekken van de stapels. De mijne die de jouwe te snel af waren in de race tegen de tijd. Aanvankelijk had ik er niet zo'n goed oog in, maar na een poos kreeg ik plezier in het stille spel. Ergens verdacht ik er de machines van expres stil te vallen, om ons te controleren op onze alertheid. Maar die was er, gelukkig. En ook de snelheid van onze handelingen verslapte niet. Ik kijk al uit naar morgen, benieuwd welke uitdagingen we dan weer zullen aangaan. Samen. Woordeloos.

20 november '11
Plots ging alles vlotter dan voorheen. Alsof er een verboden woord was uitgesproken, de olifant zijn aanwezigheid eindelijk als ongepast erkende en de kamer uitsjokte. Ik voelde de spanning, die voor zover ik me kan herinneren als een onzichtbare draad tussen ons gesponnen hing, niet meer. Dat was vreemd, daar moest ik aan wennen. Maar op mijn hoede was ik niet, want ik wist dat je niets speelde, dat alles wat je zei oprecht en goedbedoeld was. Achteraf was ik blij eindelijk te weten wat ik altijd al had willen weten: hoe het voelt eindelijk een band te hebben, al is die nog pril en fragiel, zo klaar om weer in twee te knappen. Laten we ons best doen er iets van te maken. Ik ben in elk geval zo blij dat ik je sinds lange tijd weer recht in de ogen kan kijken, lieve p.

19 november '11
Er waren opgezette dieren, en die staarden me zonder verblinken aan. In de koelkasten onder hen lag de iets recentere versie van een soortgenoot, in plasticfolie verpakt en al dan niet vacuüm getrokken. De mensen aten dat graag. Ik zag het aan de proevertjes die in sneltempo van de papieren bordjes verdwenen. In de waarheidsgetrouwe versie van het dier was dat vlees al heel lang geleden vervangen was door stro, spons en krantenpapier. Ik stelde me voor hoe klein gespuis als insecten, of zelfs muizen, zich in de krochten van de sierdieren hadden genesteld, huiverde, en draaide me om. De klant die daar stond vroeg naar een vreemd soort chorizo. Ik kende dat niet, maar liep met hem mee om te zoeken, en smeerde hem dan maar een portie veel te dure pata negra aan. Het leek wel of het everzwijn me in het passeren een vette knipoog toewierp.

17 november '11
Een vrouw, twee mannen en heel veel woorden. Meestal tegen elkaar gebruikt, vaak confronterend, nog vaker herkenbaar. Kleren gingen uit, en later ook weer aan. Drank werd af en aan gesleept, hetzelfde gebeurde met het beperkte meubilair. De situatie sluimerde van onbezorgd naar gevaarlijk over onbezonnen en desastreus, maar dan in de omgekeerde volgorde. Er was wel iets in te vinden, maar het grootste deel van de tijd dacht ik aan een artikel waarin werd gesteld dat kussen zo goed is voor een mens, en vroeg me daarbij af of de twee acteurs die het daar beneden zo vaak met elkaar deden dan zo veel gelukkiger naar huis zouden gaan, die avond. En of ze dan toch niet heel erg stiekem aan elkaar zouden denken, zo vlak voor het slapengaan.

15 november '11
Haar intonatie paste bij de functie die ze uitoefende. Ik vroeg me, terwijl ze op het ritme van haar woorden binnenwaaide, bijna hardop af of dat destijds ook in haar lessenpakket had gezeten. Het einde van de zin ging omhoog, meestal met behulp van denigrerende verkleinwoordjes. Mijn grootouders gaven geen krimp, speelden zonder verpinken mee in een kinderachtig toneeltje. Toch zag ik, in het rechteroog van oma, een verontschuldigende knipoog verschijnen, uitlacherig bijna. Daar was ik blij om. Dat gaf me goede hoop.

14 november '11
Het was een trage, koude dag. Verdriet had de hoofdrol gekregen. De man vooraan sprak zalvend, met zijn gezicht in de passende plooi gefronsd. De figuranten deden precies wat van hen werd verwacht, slechts enkele keren, wanneer de aanwijzingen te laat of niet kwamen, onzeker schuifelend om zich heen kijkend. Ik schuifelde mee, al was het maar voor dat hart en die riem. 's Avonds bestelden we flink verwesterde chinees, dronken we te veel alcohol en leek het eerdere verloop van de dag zo ver weg. Het is vreemd, bijna ongepast, maar toch heel erg waar: als er iemand doodgaat, leven de achterblijvers altijd net dat ietsje harder.

13 november '11
Gek toch hoe ik, als de moeheid me overvalt, alle beleefdheidsregels en mijn vriendelijke lach overboord gooi om plaats te maken voor de bitch die ergens in mij schuilt. Mijn bemoedigende tussenwerpsels hou ik achterwege, waardoor het gesprek op een pijnlijke manier afbreekt, stilvalt, om vervolgens na veel moeite weer op gang te komen. De anderen voelen het ook, maar zeggen er niets over. Toch, als ik meedeel dat ik slapen ga, heeft iedereen moeite om de opgeluchte blik van zijn gezicht te weren. In de hoop op morgen beter.

11 november '11
We hadden dan ook maar besloten de wapens neer te leggen, brachten het grootste deel van de dag in bed door, tot onze ogen bijna dichtplakten van de decadente loomheid, we buikkrampjes hadden van het grinniken om elkaars domme mopjes en aangekoekte resten van gemorste soep de lakens besmeurden. Toen we later op de dag buiten kwamen was het al donker, maar deed de lucht toch pijn aan onze ogen. Alsof we plots wakker schrokken uit een intense dagdroom die liefde heet.

10 november '11
Onder mijn huid zat het karkas van een mannelijk hert, met de kop er nog aan, al was het geen echt. Eerder een gigantisch masker voor verkleedpartijtjes zoals ze in de generiek van Het Peulengaleis gebruiken. Ik had het op de een of de andere manier ingeslikt, maar kreeg het niet meer uit mijn systeem. Door het gat van de mond moest ik converseren met de mensen, al ging dat moeilijk omdat ik niet goed kon zien tegen wie ik aan het spreken was. Bovendien schrikte mijn kop de meesten af, dus durfde er bijna niemand met me praten. Iets later waren alle vrouwen ter wereld hoogzwanger, maar in plaats van de gewoonlijke baby zat er een keiharde steen in ieders buik, heel zwaar en niet weg te krijgen. Wat de link is met het hertenkarkas weet ik niet. Wel dat er een soort steen op me had gelegen, die ik de hele nacht van me af had proberen woelen, en dat ik blij was om weer wakker te zijn.

9 november '11
Het was zo'n vrouw die, ter bevestiging van haar mededelingen, middenin haar zinnen mijn arm eens aanraakte om er al dan niet in te knijpen. Dat was raar, gezien de situatie. Ik lag op haar tafel, op mijn buik, met mijn hoofd van haar afgewend zodat ik niet zou zien wat ze precies van mijn rug haalde. Af en toe snoof ze, naar ik vermoed om zichzelf aan te moedigen bij haar handelingen. Die waren kort en verbeten, maar echt voelen deed ik ze niet, enkele snokjes aan de draadjes buiten beschouwing gelaten. Ze vertelde wat over haar reis naar Noorwegen, over wat voor een turbulent leven haar succesvolle dochter wel niet had en kloeg over haar schoonmaakster, die een tijd buiten strijd zou zijn wegens een knieoperatie. Af en toe kwam de assistente binnen, zonder kloppen, en ze noemde mij 'mevrouw'. Het was voorbij voor ik het goed en wel besefte. Toch keek ik, voor ik mijn hemd weer aantrok, nog eens opzij. Er was meer bloed gevloeid dan ik had gedacht. Maar misschien was dat wel mijn straf, omdat ik stiekem had liggen hopen dat ze zichzelf in de handen zou snijden.

8 november '11

Sinds vandaag weet ook mijn maag maar al te goed dat de herfst in het land is. Via dit recept, maar dan met 200 gram walnoten, 3 geraspte wortels en 150 gram mascarpone vermengd met wat bloemsuiker voor de topping. Onder die 'cakemeel' verstond ik gewoon bloem, en mijn basterdsuiker was donkerbruin. Die preistengels op de achtergrond hebben overigens niets met deze cake te maken. Ik heb ze de dag nadien gewoon kordaat in de pan gehakt, zoals dat hoort in het rijk der vrouw.

7 november '11
Het was een doordeweekse dag, sprak de stille straat. Op het ritme van mijn looppassen deinden de huizen langzaam aan me voorbij. De schwung zat erin, de ademhaling zat goed, net als het spandex loopbroekje dat weinig aan de verbeelding overliet. Dit was weer het zoveelste eerste deel van wat een wekelijks drieluik zou moeten worden (maar het zelden werd). Enkel de gedachte aan de eindmeet stemde me moedig. Gelukkig was mijn uitgestippelde pad niet al te lang. Dacht ik, ter geruststelling. Tot plots een gigantisch gevaarte de hoek uit kwam rollen, en mij de toegang versperde tot het kleine straatje. De mechanische arm uitgestrekt, klaar om de berm te ontdoen van haar onkruid. Geen kat die nog passeren kon, zelfs geen lenig lijf in een strak broekje. De enige andere optie gaapte me in de vorm van een lange, uitgestrekte weg uitlacherig toe. Drie kwartier later leek het wel of ik mijn benen onderweg was verloren en stond mijn lijf in lichterlaaie. Ook al stond het niet op haar planning, toch weet ik zeker dat Evy Gruyaert trots op me zou zijn. En voor een drieluik kon dit bovendien best tellen.

6 november '11
Ze dacht dat ze me volledig ingepalmd had, de vranke meid in haar te strakke deux-pièceke. De schittering in haar ogen kwam in de buurt van victorie, de strijd was gestreden, de buit binnen. Maar dan kende ze mij en mijn overtuigende acteertalent nog niet. De glinstering in mijn ogen forceerde ik richting enthousiasme, mijn glimlach krulde mee met mijn perfect geveinsd groeiende interesse. Ha. Dat zal ze leren, mij een onnozele job aansmeren. Nu alleen nog haar hoopvolle telefoontjes zien af te schepen. Benieuwd of ook mijn stem met succes een gepast berouwvolle intonatie kan aanslaan.

5 november '11 
Bijna moest ik blèren, omdat de slechterik een gestoorde crimineel een jaar lang bedlegerig had gehouden, als onderdeel van zijn zevendelige moordplan. De gevangene was meer dood dan levend en theatraal toegetakeld. Ik voelde pijn en verdriet voor de vent, en de eerste tranen zaten al vertrekkensklaar in mijn ooghoeken, ook al had ik de scène al zo'n vier keer keer gezien. Bovendien is het fictie. Misschien wordt het eens tijd dat ik voor mezelf begin te huilen. In plaats van voor overshminkte figuranten in populaire thrillers. 

4 november '11
Op de bank aan de andere kant van lijnbus huiswaarts ligt een Roemeens meisje in dromenland, met haar achterwerk naar mij gekeerd. De benen wijd, haar jeansrok naar boven geschoven zodat de witte panties contouren van haar pampertje zichtbaar maken. Het kleine blonde kind beseft het niet, maar is een praktijkvoorbeeld van pure onschuld. Geen man die naar haar fluit, geen pervers paar ogen dat over haar onderstel glijdt. Als mijn jurk eens te hoog zit naar westerse normen, kan ik binnen de kortste keren een opmerking verwachten waarvan ik een aantal kotsreflexen moet onderdrukken. En als volwassene in slaap vallen middenin een gesprek tussen gelijkgestemde zielen: ho maar! Oh kinderlijke vrijheid, waer bestu bleven? Ik hoop oprecht dat het meisje zich ooit dezelfde bedenking maakt, in plaats van met de benen wijd te gaan voor vunzige mannetjes. Mi lanct na di, gheselle mijn!
WebRep
currentVote
noRating
noWeight